Met de nachttrein van Bangkok naar Chiang Mai. Maar 14 uur; een eitje. De trein is luxe (en dat voor een tweedehands Japanner). En heeft een discowagon die ook als restauratie fungeert. Harde Amerikaanse muziek, bier, ramen wagenwijd open, een brede Aussie die graag armpje wil drukken met iedereen en een dronken ober.

In Chiang Mai houden ze ook van markten. We beginnen bij de lokale (we horen van de dame van ons hostel dat de andere markten daar inslaan en duurder verkopen) en lopen braaf de Saturday en Sunday walking street af. Ofwel night markets met heel veel troep voor toeristen. Ach, een paar uur daarvoor waren we nog tijgers aan het aaien. Toeristen doen wel meer gekke dingen.

We krijgen Thaise kookles van Pot. Twintig chilis is spicy voor Thai. Voor Westerlingen moeten het beduidend minder zijn. Ik hou het op 15. Met knoflook hoef je ook niet zuinig te zijn.

Na een ochtend met olifanten spelen gaan we raften. Met een instructeur met ADHD die zichzelf Jack Sparrow noemt. Finbar werpt zich op als vrijwilliger om de Thaise whisky te proberen.

Via de witte tempel (kitsch! Barbie!) komen we in Chiang Rai. Waar we gelijk ook weer vertrekken om naar het Bamboonest te gaan. Ofwel bamboehutjes in de bergen. ’s Avonds bij het kampvuur maken we kennis met Noy, de gids. Hij blijft maar praten “Those trekkings, you can’t sleep. A rooster wakes you at 4 am, the family is screaming, when people walk it makes a lot of noise.They don’t understand. And you can’t sleep. Next day you’re tired. Oh. Those trekkings.”

Wij wandelen rond. Lunch in een dorpje en een waterval. Ondertussen wordt Finbar in zijn enkel gebeten door twee hondjes.

Terug in Chiang Rai krijg ik te horen dat ik eet als een Thai. Niks Western spicy dus.

Uiteraard sluiten we Thailand af in stijl; op de night market met live muziek en dans, Singha en veel eten. En bij de nazit nemen nog een Chang in een typisch dubieuze Thaise bar.