Kota Kinabalu is een weinig spannende stad. Voor entertainment moet je op de 8e etage van de mall zijn. Daar kun je bowlen, gamen, Karaoke doen en naar de bioscoop. En dat laatste voor maar RM 8 per persoon (€2,-). In een koelkast kijken we Cloud Atlas.

In de buurt van het Kinabalu National Park verblijven we in een lodge. Een zeer vreemde, want bij het contact erover blijkt dat we kunnen kiezen uit alle kamers en dat er pas andere gasten komen als we vertrokken zijn. Bij aankomst is het huis op slot en we wachten bij de buren (een resort, met restaurant). De supervisor komt uiteindelijk en na een korte rondleiding drukt ze me de hele sleutelbos in m’n handen. Of ik die bij het verlaten bij de receptie van het resort wil achterlaten.

In het restaurant van het resort werkt een superlief meisje. Ze is overduidelijk haar Engels aan het oefenen op ons. En omdat we een paar woorden Malay spreken krijgen we koffie van haar. De dag erna krijgen we weer koffie. Stiekem schrijft ze “The coffee is free!”

Het huis is stoffig en met de 4 dormrooms vooral heel leeg. De keuken werkt en de douche ook uiteindelijk.
In de wc blijkt een vogelnest te zitten en ’s avonds komen enorme nachtvlinders een feestje houden in de badkamer. Buiten kruipen lichtgevende rupsen rond en om de hoek hangt een spin vliegen te eten.
Een spookhuis kun je het gerust noemen.

De Kinabalu gaan we niet op. Het park wel in. Voor de nodige wandeling. Iets verder zit het tweede deel van het park. Met hotsprings die eerder voetenbaden genoemd kunnen worden en een Canopy Walk. Een touwbrug zo’n 40 meter boven de grond.

Na twee nachten gaat het witte huis weer dicht. We zeggen dag tegen het vogelnest en de serveerster bij de buren. Het plebs gaat naar Sandakan. Met de bus. De meest luxe van de hele reis.