In een halflege bus gaan we van Tallinn naar Vilnius. In negen uur razen we door de Baltische staten onder het genot van een fijne selectie foute films en gratis koffie. In Riga mogen we de benen strekken en we kunnen constateren dat het centraal station in de afgelopen 4 jaar niet veranderd is.

Vilnius is van de 3 Baltische hoofdsteden de minst bekende. Onterecht. De mooie oude stad boordevol kerken (daar zijn ze weer) en horeca is prima om rustig te verkennen. Dit alles vertellen we ook op de Litouwse tv. En we mogen zonder jas naar buiten, want de zon schijnt. (Oké, de Nederlandse ambassade komen we niet in op Koningsdag, dit in tegenstelling tot verhalen die we ergens opgevangen hebben.)

Met een boemeltreintje (2 wagons) reizen we in 2,5 uur van Vilnius naar Minsk. Inclusief de grensovergang en de daarbijbehorende boos kijkende types. We gaan Europa uit en hebben een visum daarvoor.

Minsk is op het eerste gezicht foeilelijk. Op het tweede gezicht nog steeds.
In het nationale kunstmuseum zien we een onsamenhangende collectie van vooral religieuze en patriottische werken van Wit-Russische kunstenaars. Jezus is afgebeeld als een eng mini-mensje en in de religieuze stripverhalen krijgen sommige heiligen het zwaar te verduren.
Wel 2 grafische werken van Chagall (waarvan 1 een door de lucht zwevende Jezus aan het kruis bevat). Nooit geweten dat het een wit-Rus was. De Sovjets waren niet zo’n fan en hebben alle werken van de man stelselmatig geweerd.
Tsja.

Het blijft regenen in Minsk en dat past uitermate goed bij de grijze en grauwe pleinen en gebouwen. Overal wapperen rood-groene vlaggen en op menig plek wordt extra versiering aangebracht. Het einde van WWII werd door de Sovjets als overwinning op 9 mei gevierd. Die traditie leeft nog steeds in Minsk. En dit jaar is het 70 jaar geleden, dus mogen er extra vlaggen en vaandels opgehangen worden.

Toerisme is er amper in Belarus. Die paar tenten met Engelse kaart en Engels sprekend personeel zijn gericht op zakenmensen en ons hostel is vooral gericht op schoolkinderen (vooral heen en weer rennende giebelmeisjes) uit het land zelf.
Na 2 dagen Minsk is het goed dat we weer verder reizen. Wel na een blik op het uiterst sfeervolle Lenin plein.

“Restaurant car?” vraag ik met een brede glimlach.
“Njet!” antwoord de provodnitsa met een nog bredere glimlach.

Op Minsk centraal konden we ook al geen topsnacks vinden (ja behalve de opgewarmde pannenkoek met kool, ham en een zurige mayo en een zakje laffe paprikachips die we bij een oververhitte dame kopen). Gelukkig heeft de provodnitsa een winkeltje geopend en kunnen we uit de uitgestalde waren iets uitzoeken.

Midden in de nacht gaan we de grens over. Wit-Rusland uit – tassen zien, bam stempel, doei – en dan een stuk niets. Er lopen al wat Oekraïners rond, maar niemand wil onze paspoorten zien. “Straks, straks, over 5 minuten.” Uiteindelijk komt er een douanebeambte langs en onze paspoorten zijn blijkbaar heel exotisch. Na een uitgebreide inspectie maakt de beambte foto’s van de paspoorten, houdt de entry cards (die waren ook niet voor ons bestemd) en zet een stempel. We mogen verder slapen. De rest van de wagon ook, want na de controle van onze paspoorten gaan het licht uit.

Kiev centraal is een pleisterplaats voor zwervers, koffiekarretjes, taxi-chauffeurs, handelaartjes, bakkende moekes, kleine kiosks met tap en druk rondlopende reizigers. We zijn er.