“Balykchy, Balykchy”, roept de taxi-chauffeur. Het klinkt als “Balletje, balletje.”
Via die stad gaan we naar de noordkust van het grote Issyk-Köl. Niet in een verantwoord yurt-kamp, maar in dé badplaats van het meer. Er komen daar vooral Russen en Kazachen vakantie vieren en zuipen.

Omdat het weekend is en ook nog het weekend net na het einde van de Ramadan is het heel druk in Cholpon-Ata. Toch vinden we een prima slaapplek.
Bij het restaurant zien we ’s avonds mensen in ordinaire bikini’s op de dansvloer, een Russisch stel van middelbare leeftijd dat gemoedelijk een fles wodka deelt en er staat een zanger live te performen (tot groot ongenoegen van een jongetje die demonstratief zijn oren bedekt).

Na één nacht is het goed geweest en gaan we verder richting het oosten van het meer. We zijn net een paar stappen het guesthouse uit en er stopt een auto. Of we een lift willen naar het busstation? Het zijn Litouwers die in Kyrgyzstan op vakantie zijn. Ze hebben een auto gehuurd en zijn op weg naar Karakol. We mogen ook tot daar mee rijden. Dat doen we.
Via de petrogliefen van Cholpon-Ata gaan we bij het noordoosten van het meer naar een oud dorpje. Met een orthodoxe kerk. Van het oude klooster is weinig over.

Karakol is de basis voor treks in de omgeving. De Litouwers gaan een vierdaagse trek in 3 dagen doen, maar niet voordat ze ons in de bloemenvallei hebben afgezet. Vlakbij de Seven Bulls (Jeti-Öghüz) lunchen we met z’n vieren. Met verse manti (dumplings met schapenvlees en ook een vega variant voor Finbar), dus het duurt wel even. Genoeg entertainment in de buurt; uiteraard die rode rotsen, maar ook bijenkorven, een kalfje en de keuken waar druk gekookt wordt.

(tekst gaat verder onder de foto)

Druk in de keuken met manti's

Voorbij de vijf bruggen droppen de Litouwers ons af in de Kök-Jaiyk vallei. In een yurtkamp waar vooral Kirgiezen aan het recreëren zijn. Er staat een schaap te pruttelen op het vuur, kinderen springen rond, een groepje dronkelappen probeert met ons te converseren en overal zijn paarden. De standaard qua comfort ligt hier wel een stuk lager dan de CBT kampen. De wc is ergens op een heuveltje tussen bomen te vinden en het gat is zo ondiep, dat de inhoud nogal herkenbaar aan de oppervlakte drijft. Bij het diner moeten we het doen met een groot bord gebakken aardappelen mét stukjes lever (want dat is vast geen vlees).
Bij een wandeling door de vallei en zien we veel families picknicken. We mogen ook aanhaken voor een shaslick of wat thee, maar bedanken vriendelijk. We worden door opa en z’n kleinzoon terug naar Karakol gebracht. En daar wacht een bagel met pindakaas op ons.

Aan de zuidkant van Issyk-Köl verblijven we in een yurtkamp direct aan het meer. Die we blijkbaar hadden moeten reserveren want het zit rammend vol. (Het is ook een uiterst luxe yurt-kamp; met westers toilet en warme douche.) Gelukkig is er na wat passen en meten toch een plek beschikbaar voor ons. Een mini-yurt met een zitkuil ervoor. De perfecte schuilplek voor als alle groepsprocessen ’s avonds beginnen rondom het kampvuur. Met zang en vrolijk geklap.

De volgende dag zien we een paar van die fanatiekelingen aan het ontbijt. Een lelijke Duitse vrouw kirt tegen haar lelijke man dat ze toch echt cd’s met Kirgizische muziek moet hebben. De man is zo’n lullig type die vooral hard om z’n eigen grappen lacht. We zien het helemaal voor ons dat dit stel een Kirgizische avond gaat organiseren voor vrienden. De vrouw draait trots haar wereldmuziek (“wat een vondst hè?”), de vrienden moeten dan in ongemakkelijke positie op de grond zitten, ze serveren brood en paardenmelk en ondertussen staat de man shaslicks te grillen met een haarföhn erbij. Want dat heeft-ie daar in dat gekke land gezien.

In Bokonbayevo nemen we een Marshrutka terug naar Bishkek. Want zo’n “Hell. On. Earth.” zijn die dingen echt niet.