De eerste dag van het nieuwe jaar (het is nu 1393) beginnen we in een oud paleis. We zijn zo ongeveer de enige westerlingen tussen alle vakantievierende Iraniërs en dat is te merken. Eenmaal binnen word ik door een meisje van een jaar of dertien aangesproken. Of ze mij in het Engels wat vragen mag stellen. Natuurlijk mag dat. “What’s your name? Where are you from? etc. etc.” (In Iran krijg je trouwens niet het cliché-rijtje voetballers naar je hoofd gesmeten als je zegt dat je uit Nederland komt. De standaard reactie is: Ah, Netherlands! Flowers! Beautiful!) De familie van het meisje staat om haar heen en ik krijg van ma nougat aangeboden; dé lekkernij uit Esfahan. Ik vraag wat het meisje later wil worden. Tandarts of arts. Het Engels van het meisje is erg goed en ze blijft maar vragen stellen. Ik kijk om me heen en ineens staan er zo’n veertig mensen me aan te gapen en met enige spanning mijn antwoorden af te wachten.

Na de persconferentie lopen we via de lege bazaar naar de eerste moskee van de dag. Prachtige mozaïeken en oude gewelven. In de hoofdnis zit een mullah op zijn knieën met een paar mannen om hem heen. Ze zijn bezig met het gebed. De tweede moskee is die op het plein. Een stuk drukker. Het gebed is net afgelopen en men is bezig de tapijten op te rollen. Rondleidingen vinden plaats terwijl er nog mensen aan het bidden zijn. Na al het religieuze geweld komen we bij met een Islamistische pint op het plein. Tropical Fruit smaak dit keer.

We hebben een ander hotel nodig (vanwege Nowruz) en via een vreselijk aftands hotel en een optie bij mensen thuis op plastic overtrokken bedden kunnen we in een hotel tegenover het Abbasi terecht. (De plek waar we regelmatig komen voor een thee in de chique binnentuin en de wifi).
Aan de andere kant van de rivier ligt Jolfa, de Armeense buurt. Met kerk. En ook ineens een heleboel koffietentjes. In het museum krijg ik een dikke baby in mijn handen gedrukt, ik moet weer op de foto.

We lopen terug via de bodem van de droogliggende rivier. Waterfietsen liggen werkeloos aan de kant en mensen poseren voor elkaar in de nissen van de brug.
Onderweg naar de bazaar moeten we van Finbar een winkel in. De verkoper wil maar al te graag laten zien hoe de tafelkleedjes worden bedrukt. Finbar is zeer geïnteresseerd, maar verliest halverwege de spreekbeurt alle aandacht.
In de bazaar gaan we op zoek naar souvenirs en andere kitsch. Sommige verkopers willen onderhandelen en sommigen niet. Die blijven volhouden dat het puur handwerk is, in originele staat is en ondanks een herhaalbezoek gaat de prijs echt niet omlaag. Met een kilo walnoten en pistachenoten zitten we op het plein. Het Iraanse gezin naast ons babbelt gezellig tegen ons aan.
Vanavond geen kebab, bademjan en bergen rijst, maar broodje falafal en kuka bij een snackbar. En omdat we toch in de buurt zijn, even weer dat mooie vuurwerk bij de brug.

Bij het binnenkomen van de ontbijtruimte horen we gerochel, gekuch en een raspend keelgeschraap. Ja hoor, Chinezen. Gezellig! Ons busje via Persepolis naar Shiraz laat 3 kwartier op zich wachten. De chauffeur had zich even vergist in de tijd. Met Nowruz gaat de klok namelijk een uur vooruit.
Onderweg zien we zand, bergen en vooral veel mensen picknicken, Iran is hét land van de picknick en mensen doen het dan ook overal. Langs de weg, bij een afrit, in een parkje, tussen de auto’s op een parkeerplaats, op de stoep bij een kruispunt en ga zo nog maar even door.

Bij Persepolis is het druk. Heel Iran wil blijkbaar het archeologisch erfgoed zien. Schuifelend in de massa zien we de oude nederzetting, gaan met mensen op de foto, maken zelf foto’s van pilaren en beantwoorden vragen van alle nieuwsgierige types. Het is verboden om het erfgoed aan te raken, maar menig Iraniër heeft daar lak aan. Er wordt volop geposeerd op de resten van de oude stad. De fluitjes van de security klinken dan ook veelvuldig. Bij de lunch wordt een bèta-jongen door zijn ouders op ons afgestuurd. Ga maar integreren met die westerlingen jongen, is goed voor je. Dat gaat vrij onhandig en hij durft ons amper aan te kijken. Hij vraagt of hij in Nederland scheikunde kan studeren. Zijn ouders knikken glimlachend naar ons.

In Shiraz gaan we naar de Shāh Chérāgh, een moskee en mausoleum complex voor broers van Imam Reza. Mannen en vrouwen gaan apart naar binnen en ik moet via een kraampje waar chadors te leen zijn. Even later loop ik een wit laken met blauwe bloemetjes in de vrouwenrij voor de shrine. Zijn ze dol op hier, shrines (Aref raakte niet uitgepraat over die in Mashhad). Eenmaal binnen flonkeren de spiegels me tegemoet. De vrouwen maken een jammerend geluid bij het aanraken van het graf. Voorin de ruimte is het chaotisch – ik kan me amper bewegen en struikel bijna over het laken – achterin zitten vrouwen rustig te bidden. Finbar en Redger zijn in het mannengedeelte geweest, daar hebben ze 3/4 graf tot hun beschikking. Op het binnenterrein is het een gekrioel van mensen, chadors wapperen en we lopen enigszins opgejut naar de andere shrine. Daar weer 2 ingangen, maar wel een beduidend kleinere tombe.

We wurmen ons door de bazaar en vinden een sluiproute naar buiten. Bij een restaurant komen twee oudere dames en een jonge vrouw naar buiten. Eén van de oude vrouwtjes is zo onder de indruk van ons dat ze mijn hand bijna fijnknijpt. Met tranen in haar ogen poseert ze voor de foto.
Na een lunch bij de populairste tent van Shiraz maken we kennis met musea voor de massa in Iran. Ze zijn van de poppen. En dat veelbelovende fort is vanbinnen nogal saai.
Aan overkant van de rivier ligt de tombe van Hafez. De beroemde Perzische dichter. Het schijnt dat elk Iraans huishouden 2 boeken bezit; de koran en een bundel van Hafez. Ook hier weer druk, we staan anderhalf uur in de rij. Binnen is het dringen geblazen, iedereen wil de tombe aanraken. Gelukkig is er een terras en Dellester.

De laatste dag in Shiraz beginnen we in de roze moskee, waar het rustig is. Bij het traditionele huis aan de overkant is dat niet geval, wriemelend waggelt het publiek langs de poppen. De bijbehorende tuin slaan we over en gaan naar de bazaar voor lunch en ansichtkaarten. Die zijn niet te vinden. Bij een souvenirwinkel krijg ik een paar gratis. We hebben nog wel postzegels en een postkantoor nodig. Als we op zoek zijn ontmoeten we een man die voor de Islamitische school werkt, die is “Of course” heel dichtbij. Een half uur later staan we bovenop het dak van de school. Met uitzicht op de shrine, de moskeeën en de bazaar. De boog bij de ingang van de school is de breedste van het land, die moeten we “Of course” ook nog even zien. ’s Avonds ontmoeten we bij het het diner Samira, onze regel-dame in Iran.

Middenin de nacht vliegen we naar Tehran. Na een paar uur slaap gaan we op pad met Meyssam, de Iran-Belg. We gaan met de metro (geen gescheiden gedoe dit keer, ik mag met de mannen mee. Als ik alleen was, moest ik wel in het vrouwen rijtuig) naar Noord, ofwel de rijke buurt. Waar je ook croissants kunt kopen.
Na de bazaar en wat paleizen (o.a. van Farah Diba) is het tijd voor kebab. Er ligt een goed restaurant op amper 15 minuten lopen. Toch niet, ruim drie kwartier later staan we voor een tent waar de lunch net is afgelopen. Bij een gaarkeuken in Noord werken we om 16:30 behoorlijke porties naar binnen en hoeven we de rest van de dag niets meer. ’s Avonds vinden we na wat omzwervingen de Armeense club, maar die is gesloten. Dan maar wat Istakjes aan de bar in een protserig hotel.

We gaan Tehran weer even uit. Naar Kashan. Met de bus, die rijdt alsof hij in een computerspel zit en alle kleine autootjes van de weg moet drukken. Bij aankomst op het busstation (gewoon langs de weg) nemen we een afgetrapte taxi. De chauffeur vertelt in zeer gebrekkig Engels dat hij ook nog gids is. Met hele goede reviews. We bedanken vriendelijk voor z’n diensten. Bij aankomst in het guesthouse blijken we de enige gasten te zijn. Na de verplichte thee gaan we de stad bekijken.
Kashan staat bekend om de historische huizen, die ook echt prachtig zijn. Bij het Abbasian house worden we rondgeleid door de museumgids. We gaan lunchen en bedanken hem, hij geeft mij geen hand. Na de lunch lopen we naar buiten en dan rent de gids ons achterna, hij voelt zich lullig over die hand. Maar het is policy van het museum. We bezoeken de oude stadsmuur en het ijshuis en gaan naar de bazaar. Die is nog dicht, maar in het oude badhuis kunnen we wel thee drinken. Eind van de middag komt de boel op gang en kunnen we op zoek naar saffraan parfum. Wat je dus blijkbaar als saffroen moet uitspreken.

De tweede dag Kashan begint goed; Finbar krijgt een nieuwe vriend. De jongen gaat mee naar het traditionele huis (Iraniërs krijgen overigens dikke korting op toegangskaarten en betalen zo’n 10%) dat we vandaag bezoeken en hangt aan Finbar’s lippen. Het meisje wat mij rondleidt, vertelt dat haar chador verplicht is in het museum, maar dat ze het niks vindt. De nieuwe vriend van Finbar vindt dat weer helemaal niks, hij is nogal strikt. Hij blijft maar praten en wil dat Finbar z’n familie ontmoet (wij mogen ook wel mee).
Bij de moskee krijgen we een privé-concert van een aanwezige Iraniër. Precies midden onder een koepel, zodat zijn zangkunst goed galmt. Hierna poeieren we de jongen af en hij neemt emotioneel afscheid van zijn vriend Finbar. Even later zien we bij de lunch dat hij alweer nieuwe vrienden probeert te maken, dit keer Spaanse toeristen.

Bij terugkomst in Tehran staat een legertje taxi-chauffeurs om ons te vechten. We nemen de leukste. Ons laatste diner in Tehran doen we in een vegetarisch restaurant bij het Iranian Artists’ Forum. Kan Finbar eindelijk ook kebab eten. En zien we de jonge en kunstzinnige kant van Tehran. Met studentes die amper een hoofddoek op hebben.

We moeten veel te vroeg op voor onze vlucht naar Istanbul. Tien minuten na opstijgen doe ik mijn hoofddoek af en een paar uur later zitten we aan een Efes biertje. We zijn weer één van de velen en er wil niemand spontaan vrienden met ons worden.